De belangrijkste wetswijzigingen voor (schulden-) bewinden

In 2021 worden veel wetswijzigingen doorgevoerd die invloed hebben op het werk van de bewindvoerder. In dit artikel gaan we verder in op de wetswijzigingen die betrekking hebben op het executie- en beslagrecht.

Geplaatst op: 05-01-2021
Wetswijzigingen schuldenbewind beschermingsbewind

Verschillende wijzigingen ten aanzien van beslag in drie fasen

Eerder schreven we al over de nieuwe tarieven, de vereenvoudigde beslagvrije voet en het adviesrecht voor gemeenten. Maar vanaf 1 oktober 2020 zijn ook verschillende wetswijzigingen doorgevoerd die betrekking hebben op het executie- en beslagrecht. De wet herziening beslag- en executierecht moet voorkomen dat mensen met schulden onder het bestaansminimum komen. Het mes snijdt bij deze wijzigingen volgens minister Dekker van rechtsbescherming aan twee kanten: “Een schuldeiser mag maatregelen nemen als zijn rekeningen niet worden betaald. Maar het moet niet zover gaan dat mensen geen kant meer op kunnen. Daarom zijn de regels voor het executie- en beslagrecht herzien.”

Een inwerkingtreding per 1 oktober 2020 wijkt af van de vaste verandermomenten; die voorzien in een inwerkingtreding van een wet per 1 januari of 1 juli. Er is gekozen voor een eerdere inwerkingtreding nu het wetsvoorstel door het parlement als een prioritair voorstel is behandeld. Het gaat immers om de bescherming van het bestaansminimum voor schuldenaren. De urgentie van de wet is door de economische gevolgen van de COVID-19 pandemie alleen maar toegenomen.

De wet treedt in werking in drie fasen: de eerste fase is ingegaan op 1 oktober 2020 en verbiedt samengevat het beslag op bijvoorbeeld de inboedel wanneer de kosten van het beslag hoger zijn dan de opbrengsten. De tweede fase is ingegaan op 1 januari en regelt onder andere dat de beslagvrije voet van toepassing wordt bij een bankbeslag.

De laatste fase gaat in werking op 1 april 2021. In deze laatste fase gaat het om beslag op motorvoertuigen en aanhangers.

Fase 1: beslag niet als pressiemiddel

Eén van de uitgangspunten is dat verhaalsbeslag (beslag op inboedel en andere roerende zaken) niet als pressiemiddel mag worden ingezet en alleen daadwerkelijk mag dienen ter verhaal. Het uitgangspunt is dan ook dat de opbrengst van een beslag niet duurder mag zijn dan de kosten van het beslag. Als de kosten van de beslaglegging en de executie echter hoger zijn dan de baten, dragen deze niet bij aan de voldoening van de vordering. De beslaglegging wordt dan niet gebruikt ter verhaal maar louter als pressiemiddel om de schuldenaar te bewegen om manieren te vinden om de vordering te voldoen, ook als de schuldenaar over geen enkele afloscapaciteit beschikt (zie de memorie van toelichting).

Zijn de kosten van het beslag hoger dan de voorziene opbrengst? Dan zal de schuldeiser geen opdracht moeten geven tot beslaglegging op de inboedel. Doet de schuldeiser dit toch, dan kan door de schuldenaar opheffing van het beslag worden gevorderd of kan een executiegeschil worden gestart.

Zaken waarop geen beslag mag worden gelegd

Ook is met ingang van 1 oktober 2020 -naast een wijziging van enkele technische en procedurele bepalingen- een modernisering doorgevoerd ten aanzien van het beslag op roerende zaken (beslag op inboedel).

Zo mag per 1 oktober geen beslag meer worden gelegd op:

  • de kleding van de schuldenaar en eventuele gezinsleden;
  • de in de woning aanwezige levensmiddelen;
  • essentiële middelen voor persoonlijke verzorging en dagelijkse levensbehoeften van de schuldenaar en eventuele gezinsleden;
  • zaken die de schuldenaar en eventuele gezinsleden nodig hebben voor de verwerving van de noodzakelijke middelen van bestaan of voor scholing of studie;
  • zaken van hoogstpersoonlijke aard (zoals een trouwring of fotoboeken);
  • en gezelschapsdieren van de schuldenaar en eventuele gezinsleden, alsmede de voor de verzorging van deze dieren noodzakelijke zaken.

Voor de algemene begrippen als zaken voor persoonlijke levensbehoeften en algemene dagelijkse levensbehoeften maakt de wetgever een nuance. Zo vallen onder persoonlijke levensbehoeften zaken als toiletartikelen, scheergerei of een föhn, maar ook specifieke zaken als een rollator of andere hulpstukken. Onder algemene dagelijkse levensbehoeften kan bijvoorbeeld een fiets worden verstaan, maar ook een mobiele telefoon, kinderspeelgoed en een computer.

Voor bovenstaande opsomming geldt het nieuwe beslagverbod niet als deze bovenmatig zijn. Indien de deurwaarder overgaat tot inbeslagneming van een bovenmatige zaak die de schuldenaar ook echt nodig heeft, de wetgever geeft als voorbeeld een dure bontjas, dan mag op de bontjas beslag worden gelegd, maar moet de schuldenaar wel in de gelegenheid worden gesteld om een vervangende winterjas aan te schaffen.

Ook geldt het beslagverbod niet als de vordering en beslag betrekking hebben op de aanschaf of het herstel van de zaak waarop de vordering betrekking heeft. Hiermee moet worden voorkomen dat er geen beslag gelegd kan worden op zaken waarvan op het moment van aankoop of reparatie (en bij gezelschapsdieren ook de verzorging ervan) al duidelijk was dat de schuldenaar deze niet kon betalen.

Tenslotte regelt de wetswijziging dat de beslagen goederen nu ook via internet kunnen worden verkocht. Dit maakt het mogelijk om een breder publiek te bereiken hetgeen mogelijk kan bijdragen aan een hogere opbrengst, terwijl de kosten van de verkoop lager zijn.

Fase 2: beslagvrij bedrag bij beslag op de bankrekeningen

Met ingang van 1 januari 2021 is de tweede fase in werking gegaan. In de tweede fase is er een zogeheten beslagvrij bedrag ingesteld bij een beslag op de bankrekening van de schuldenaar. Hoewel dit beslagvrije bedrag niet hetzelfde is als de beslagvrije voet, zijn de beslagvrije bedragen wel gelijk aan de maximaal toepasbare beslagvrije voet. De aangepaste bepaling regelt zodoende dat mensen met schulden bij een beslag niet onder het bestaansminimum terechtkomen.

De wetgever stelt wel voorwaarden aan de toepassing van het beslagvrije bedrag. Het beslagvrije bedrag is alleen van toepassing als de schuldenaar een natuurlijk persoon is, er sprake is van een bankbeslag onder een bank zoals beschreven in de Wet op het financieel toezicht en er sprake is van een beslag op een rekening waarop gelden worden aangehouden (dus geen effecten of aandelen).

De beslagvrije bedragen bij een bankbeslag worden als volgt vastgesteld:

  • € 1.486,37 voor een alleenstaande;
  • € 1.623,45 voor een alleenstaande ouder;
  • € 1.956,90 voor gehuwden zonder kinderen en;
  • € 2.093,48 voor gehuwden met één of meer kinderen.

Het beslagvrije bedrag is ook niet van toepassing als de schuldenaar op grond van de BRP geen adres in Nederland heeft. Als de schuldenaar na het beslag onvoldoende middelen van bestaan ter beschikking heeft, dan kan de kantonrechter alsnog worden gevraagd om de beslagvrije voet van toepassing te verklaren.

Fase 3: administratief beslag op motorrijtuigen

Vanaf 1 april 2021 gaat de laatste fase in. In deze fase wordt het administratief beslag van motorrijtuigen en aanhangers aangepast. Hoewel beslag hierop met de huidige wetgeving al mogelijk is, hoeft de deurwaarder vanaf 1 april 2021 het motorvoertuig niet langer daadwerkelijk “waar te nemen”. De deurwaarder krijgt immers de mogelijkheid om beslag te leggen op het voertuig via het kentekenregister. Zo wordt het niet meer mogelijk om bijvoorbeeld een auto na een beslag over te schrijven op een andere naam. Hiermee wordt ook een eventuele koper van de auto beschermd tegen een aankoop van een auto waarop beslag ligt.

LEES VERDER

Neem direct contact met ons op!

Vraag informatie op

Contactformulier

Stuur ons een e-mail

info@piekoo.nl

Bel ons op

030-7210005

Kom bij ons langs

Arkansasdreef 32C
3565 AR Utrecht